"Eerbeeksche Hooilanden", een prachtig stukje cultuurhistorie!

Eerbeeksche Hooilanden

J. Grolleman & J.G. Peters

Lendeweg 4a, 6964 CK HALL 

Eerbeek in de 19e eeuw

 

Een dorp van boeren en papiermakers

In de 19e eeuw bestaat Eerbeek uit boeren en papiermakers. De eerste boeren hebben zich waarschijnlijk rond 900 aan de “Eertbeecke” gevestigd, een beek die ontspringt in de bossen van Coldenhove, door Eerbeek stroomt en via Voorstonden in de IJssel uitmondt. Het dorp wordt in 1024 voor het eerst in een oorkonde genoemd en er is een archeologische vondst gedaan van een boerderij en waterput uit circa 1250.

 

In de Middeleeuwen bouwen de heren van Bronkhorst een jachtslot in Eerbeek, van waaruit de in de zomer gingen jagen in de bossen van de Veluwe. In de 19e eeuw is dit “Huis te Eerbeek” in het bezit van de familie Berns die het in 1872 flink laat verbouwen. In 1895 wordt professor Max Weber de eigenaar.

  

Rond de Middeleeuwen gaan de 17 grootste boeren van Eerbeek zich samenvoegen met twee boeren uit Coldenhove en 8 uit Hall, tot de Marke van Hall en Eerbeek. Ieder had zijn eigen bouwland en samen beheerden ze de heidevelden (circa 75% van het gebied). Tevens bestuurde deze Marke de buurschapen (zie: Marke van Hall en Eerbeek).

 

Vanaf de 17e eeuw vestigen papiermakers zich rond het zachte, heldere water van de Eerbeekse beek en bouwen er papiermolens. Het dorp begint daardoor te groeien. Worden er in 1819 nog 364 inwoners geteld, in 1872 is dat uitgegroeid tot 859. In 1859 zijn er in Eerbeek 8 papierfabriekjes waar in totaal 120 arbeid(st)ers werken.

 

De mini-waterval “Het Kerstens Molentje” (hier op een ansichtkaart uit 1904) herinnert aan de eerste papiermolens. Deze molen werd in 1717 gesticht door de heer van Lamsweerde, destijds eigenaar van het Huis te Eerbeek. Er is nog het deel te zien waarin vroeger het waterrad voor de papiermolen draaide.

 

In het kadaster van 1832 is geregistreerd wie er destijds eigenaar was van welk huis en welke grond en wat de waarde daarvan was. Opvallend is daarin dat van de 17 grote boerderijen in Eerbeek (een huis en erf met ca 10-15 hectare grond) slechts een vijftal in eigendom zijn van de boer die er woont en werkt. Knechten en dienstmeiden wonen (soms met hun hele gezin) in bij het boerengezin. De overige boerderijen zijn in eigendom van adellijke families of kerkgenootschappen die er niet zelf wonen of werken. Eerbeek telt in die tijd zo’n 20 dagloners, werkzaam bij een grote boer met zelf ook een klein boerderijtje met ongeveer 1 hectare grond erbij.

 

Naast boeren en papiermakers wonen er in Eerbeek in de 19e eeuw natuurlijk ook nuttige ambachtslieden als kleermakers, schoenmakers, een smid, een dekker en een kastelein (van café De Bonte Koe). Zij hebben in 1832 naast een eigen huis en erf ook een stukje bouwland.

 

 

Gericht op Hall

 

In de eerste helft van de 19eeeuw hebben de inwoners van Eerbeek geen eigen school en kerk. Daarvoor zijn ze aangewezen op Hall, waar al sinds de Middeleeuwen een stenen kerkgebouw staat. Een zijbeuk van de kerk doet dienst als school. In 1827 komt er in Hall een eigen stenen schoolgebouw. De schoolkinderen uit Eerbeek moeten iedere schooldag en de protestantse kerkgangers iedere zondag, over de “Oude Kerkweg” naar Hall, een weg die bij regen en sneeuw vaak onbegaanbaar is. En dat terwijl Eerbeek inmiddels al een groter dorp is dan Hall (in 1840 had Eerbeek 747 inwoners en Hall 336).

De Hallse kerk is ook vergaderlocatie van de Marke van Hall en Eerbeek.

 

 

Een school en kerk in Eerbeek

 

In Eerbeek is in het begin van de 19e eeuw wel een Rooms Katholieke pastorie en schuur (destijds gebouwd door de heer Krepel van de kopermolen uit Klarenbeek). De heren van het Huis te Eerbeek en van De Horst in Loenen waren Rooms Katholiek en in hun huizen (met elkaar verbonden door de Horsterdijk) kwamen de rooms katholieke gelovigen bij elkaar. Wanneer de heer Berns met een protestantse vrouw trouwt is dat voorbij en als ook in De Horst de gelovigen niet meer kunnen samen komen, wordt de pastorie en schuur verkocht en van dat geld een RK kerk gebouwd in Loenen, die in 1849 in gebruik wordt genomen.

 

Een verzoek van de Hallse schoolmeester Steenbeek om een school in Eerbeek te starten wordt ingewilligd en in 1852 gaat meester Steenbeek in de voormalige RK pastorie wonen en wordt de schuur in gebruik genomen als school.

 

Daarna maakt meester Steenbeek zich er ook sterk voor “om de buurtschap Eerbeek tot een zelfstandige kerkelijke gemeente te verheffen”. Ook pleit hij voor een degelijk stenen schoolgebouw voor Eerbeek. Het schoolgebouw komt er in 1855 en in 1858 komt de eerste predikant naar Eerbeek. In eerste instantie komen de protestantse gelovigen (“nederduits-gereformeerd” genoemd, later nederlands hervormd) bijeen in de voormalige RK schuur, maar 1859 ook in een eigen kerkgebouw. De Eerbeekse gemeenschap heeft hier zelf alle middelen voor opgebracht.

 

Wanneer in de periode van 1852-1864 de Marke wordt opgeheven (en de heidevelden verkocht) en in 1858 het graafwerk voor het kanaal van Apeldoorn naar Dieren inmiddels ter hoogte van Eerbeek en Hall in volle gang is, dan is de scheiding van Eerbeek en Hall definitief een feit.

 

 

Industrialisatie

 

Behalve de opheffing van de Marke, de komst van een eigen school en kerk en het graven van het kanaal, vindt er halverwege de 19e eeuw nog een ingrijpende verandering in Eerbeek plaats: de industrialisatie.(wordt vervolgd)

 

 

 

 

Geraadpleegde bronnen:

Marten W.H. de Weerd: “Meester Gerrit Jan Steenbeek en zijn tijd”, Eerbeek, 1978

Yvonne Tanke: “Wonen en werken in Eerbeek en Hall”, Eerbeek, 1987

Kadastrale Atlas Gelderland 1832, Arnhem 1990